Waarom ik nooit meer een voet op een overvolle camping zet (en waar mijn bus nu wél staat)

Nu iedereen weer als een gek campings boekt voor de zomer en de prijzen voor een stukje gras de pan uit rijzen, moet ik denken aan die ene ochtend in Frankrijk. Dat was het moment waarop mijn vrouw Marga en ik besloten: dit nooit meer.

Het was zeven uur ’s ochtends. De zon kwam net op boven de heuvels van de Ardèche, maar ik hoorde geen vogels. Ik hoorde een dieselmotor. Een monotoon, dreunend geluid dat door de dunne wand van onze zelfbouwbus trilde. Ik gluurde door het gordijn. Dertig centimeter naast ons stond een witte liner van een ton of acht. Uit een luikje aan de zijkant kwam een walm en het geluid van een ingebouwde dieselgenerator. De buurman had zin in een Nespresso.

We stonden op een zogenaamde ‘natuurcamping’. Je kent het wel: mooie website, foto’s van ruime plekken en lachende mensen bij een kampvuur. De realiteit was een volgepropt veld waar je de buurman de krant kon horen omslaan. En deze buurman, een vriendelijke Duitser met een camper duurder dan mijn huis, had alle luxe van thuis meegenomen. Inclusief een stroomverbruik dat een klein dorp zou kunnen voeden.

In de praktijk blijkt dat veel van die dure, moderne campers volgehangen zijn met airco’s, vaatwassers en elektrische barbecues, maar een fatsoenlijk accusysteem ontbreekt. Ze zijn volledig afhankelijk van de paal of, erger nog, van hun generator. En de campingeigenaar vindt het prima. Meer campers is meer geld. Of je nog rust hebt, is niet zijn probleem.

Ik ben een techneut in hart en nieren. Onze eigen bus, een oude Mercedes, heb ik zelf ingetimmerd. Ik heb een Victron-systeem geïnstalleerd met lithiumaccu’s en genoeg zonnepanelen op het dak om wekenlang zelfvoorzienend te zijn. Stil, schoon en onafhankelijk. Ik dacht altijd dat dat de essentie van kamperen was: vrijheid. Niet hutjemutje op een veld staan, ruziënd om het laatste stroompunt.

Lees ook:  De blunder die onze vakantie bijna verpestte: "Ik dacht dat die brug wel hoog genoeg was..."

Die middag, na nog een generatorsessie van de buurman omdat de airco aan moest, keek Marga me aan. “Ik ben er klaar mee,” zei ze. “Dit is geen vakantie, dit is een festivalterrein.” Ze had gelijk. We hebben onze spullen gepakt, de resterende nachten laten voor wat ze waren en zijn vertrokken.

Via een app, ik geloof dat het Park4Night was, vonden we een alternatief. Een tip over een wijnboer, een halfuur verderop, die camperaars op zijn land liet staan voor een klein bedrag. We belden en konden terecht. Wat een verademing. We stonden alleen, tussen de wijnranken, met een uitzicht over de vallei. De boer kwam een praatje maken, we kochten een doos van zijn wijn en ’s avonds hoorden we niets anders dan krekels. Dat was de echte luxe. Dat was de vrijheid die we zochten.

Sindsdien mijden we de grote, commerciële campings. We zoeken naar de kleine pareltjes: een boer, een B&B met een paar plekken, of een officiële camperplaats ver weg van de drukte. Het kost vaak minder en levert zoveel meer op.

Mijn harde lessen over de camping-industrie:

  • ‘Natuurcamping’ is een marketingterm. Vertrouw niet op de glimmende folder. Kijk op Google Maps via de satellietweergave hoe dicht de plekken echt op elkaar staan en lees recente, onafhankelijke reviews.
  • Vrijheid kost voorbereiding. Als je rust en ruimte wilt, moet je zelfvoorzienend zijn. Investeer in een goede accu en zonnepanelen. Dat geeft je de vrijheid om te kiezen voor plekken zonder voorzieningen.
  • De mooiste plekken staan niet in de gids. Gebruik apps en durf van de gebaande paden af te gaan. De beste ervaringen vind je vaak op plekken waar je in eerste instantie niet aan had gedacht.
  • Durf te vertrekken. Bevalt een plek niet? Wegwezen. Je vakantietijd is te kostbaar om je te ergeren aan de generator van een ander. Ook al heb je vooruitbetaald.
Lees ook:  Wat kost een maand reizen door Scandinavië echt? Wij hielden elke euro bij en schrokken van de uitslag.

Die ochtend in de Ardèche voelde als een mislukking, maar het was ons beste kampeermoment ooit. Het heeft ons de ogen geopend. Nu, als ik de boekingspaniek voor de zomer zie, leun ik tevreden achterover. Laat ze maar vechten om dat laatste plekje aan het Gardameer. Wij zoeken wel een boer in de buurt. Geef mij maar het geluid van de krekels. Proost.