Het is een bekend beeld in het voorjaar: de witte daken van campers, bumper aan bumper langs de Zuid-Spaanse kust. Iedereen wil een plekje met zeezicht, maar krijgt er een buurman op twee meter afstand, een overvolle boulevard en een rekening van dertig euro voor terug. De charme is ver te zoeken. Je moet reserveren, op tijd aankomen, en hopen dat je plek niet naast de luidruchtige animatie is. Voor velen van ons is dat niet de vrijheid waarvoor we ooit een camper hebben gekocht.
Maar wat als ik je vertel dat de echte vrijheid slechts 50 kilometer landinwaarts ligt? Draai het stuur om, weg van de kust, en de wereld verandert. De drukte maakt plaats voor stilte, de palmbomen voor dennenbossen en de woekerprijzen voor een vriendelijke knik van een lokale boer. Welkom in de Sierra Nevada.
De stilte van de Spaanse hoogvlakte
Vergeet het imago van een skigebied. In het voorjaar is de Sierra Nevada een groen en ruig berglandschap, met de witte toppen van de Mulhacén en de Veleta als decor. Hier rijd je over wegen waar een kudde geiten de enige vorm van file is. De lucht is schoon en ruikt naar wilde tijm en rozemarijn. In de verte hoor je het geluid van smeltwater dat in beekjes naar beneden kabbelt.
De route omhoog vanuit Granada, via de A-395, is goed te doen, zelfs met mijn oudere, zelfgebouwde bus. De weg is breed en de stijging is geleidelijk. Pas als je dieper de regio in trekt, richting de witte dorpen van Las Alpujarras, worden de wegen smaller. De A-4132 is zo’n weg die vraagt om rustig te rijden en in een lage versnelling te genieten van het uitzicht. Hier en daar is het wat krap, maar met beleid kom je overal. Ik parkeerde mijn camper een paar jaar geleden net buiten het dorpje Trevélez, bekend als een van de hoogstgelegen dorpen van Spanje. De enige geluiden waren de wind en een paar kerkklokken. Geen slagbomen, geen pasjes, geen gedoe.
Ervaren Spanje-gangers weten dat het echte Spanje hier te vinden is. Op de kaarten van Park4Night wordt deze regio vaak overgeslagen ten gunste van de kust. Onterecht, want juist daardoor is het hier nog zo puur. In een lokaal barretje in Capileira hoor je geen Nederlands of Duits, maar het Spaanse geroezemoes van dorpelingen die hun dag bespreken. De prijzen zijn er ook naar: een kop koffie voor een euro, een glas lokale wijn voor nauwelijks meer.
De ‘Need to knows’ op een rijtje:
- Beste reistijd: Half april tot eind juni. De sneeuw is van de meeste wegen, de natuur staat vol in bloei en de temperaturen zijn aangenaam (overdag rond de 20-25 graden, ’s nachts koel).
- Type camperplaats: Verwacht geen luxe resorts. Je vindt hier vooral eenvoudige gemeentelijke plekken (áreas de autocaravanas), parkeerplaatsen bij wandelroutes waar overnachten wordt gedoogd, of je vraagt een boer of je op zijn land mag staan. Vrij staan is op veel plekken mogelijk, zolang je respect toont voor de natuur en geen sporen achterlaat.
- Prijsindicatie: Veel plekken zijn gratis. Voor een serviceplek met water en een loosput betaal je zelden meer dan €10.
- Specifieke waarschuwing: De hoogte. ’s Nachts kan het, zelfs in mei, flink afkoelen tot een paar graden boven nul. Een goede kachel of een extra deken is geen overbodige luxe.
Dit is kamperen zoals het bedoeld is. Waar de bestemming de reis is, en de rust de grootste luxe. De wandelschoenen kunnen aan, de motor kan uit. Hier in de bergen telt de natuur, niet de reservering.