Het was stil in de bus. Doodstil. Alleen het zachte tikken van de koelkast die aansloeg. Buiten, door het raam van onze zelfbouwbus, zag ik de toppen van de Franse Pyreneeën. Prachtig, maar op dat moment kon het me gestolen worden. Al mijn aandacht ging naar het hoopje hond op de vloer. Bumper, onze trouwe bouvier, die normaal de hele boel bij elkaar blaft als er een vlieg verkeerd landt, lag er als een levenloos vod. Zijn etensbak was vol, zijn waterbak onaangeroerd. Zijn neus kurkdroog en heet. Ria, mijn vrouw, ijsbeerde door de krappe ruimte. “Koos, dit is niet goed.” Ze hoefde het niet te zeggen. Dat zag een blinde.
We stonden op een idyllische, afgelegen plek. Zo eentje die je op de foto zet en naar huis stuurt met de tekst ‘groetjes uit het paradijs’. Maar als er iets misgaat, is dat paradijs ineens je grootste vijand. Geen bereik op de telefoon, de dichtstbijzijnde beschaving een halfuur rijden over een kronkelweg. We hadden alles. Een volle watertank, zonnepanelen die stroom leverden en een koelkast vol eten. Maar de kennis om onze zieke hond te helpen, die hadden we niet.
Na een stressvolle rit kwamen we aan in een slaperig dorpje. Via een stokoude man met een stokbrood onder zijn arm vonden we de vétérinaire. Het was geen hippe kliniek, maar een donker kantoortje achter een woonhuis. Een oude man, Dr. Dubois, met een grijze stofjas en een gezicht vol groeven, bekeek Bumper. Hij vroeg niks. Hij tilde de lip van de hond op, keek naar zijn tandvlees, voelde aan zijn buik en zei twee woorden: “Piroplasmose.”
Ik dacht altijd dat ik mijn zaakjes goed voor elkaar had. Bumper had een dure Scalibor-halsband om, gekocht bij de dierenarts in Nederland. Moest volgens de boekjes genoeg zijn tegen teken en ander ongedierte. De verkoper vertelde mij dat dit de beste bescherming was die er te koop was. In de praktijk blijkt echter dat de teken in zo’n zuidelijke, bergachtige regio een heel ander kaliber hebben. Ze dragen ziektes bij zich die in Nederland nauwelijks voorkomen. Die dure halsband was voor die Franse rotbeesten blijkbaar niet meer dan een geurkaarsje.
Dr. Dubois legde het in gebrekkig Engels uit. De teek had een parasiet overgebracht die de rode bloedcellen van Bumper vernietigde. Zonder snelle behandeling zou het fataal zijn. Bumper kreeg twee injecties en een recept voor een week lang pillen. “Bonne chance,” zei de man, en hij rekende een bedrag waarvoor je in Nederland nog niet eens de wachtkamer in mag. Hij redde het leven van onze hond.
Die avond, terug in de camper, was de stilte anders. Het was geen gespannen stilte meer, maar een van bezinning. We hadden geluk gehad. Puur geluk. Een dag later en het was misschien te laat geweest. Dat opgepoetste beeld van vrijheid en avontuur kreeg een flinke deuk. Je bent kwetsbaar daarbuiten, en je huisdier al helemaal.
Mijn harde lessen uit de bergen:
- Vertrouw niet blindelings op Nederlandse middelen. De vlooienband of het tekenmiddel dat hier prima werkt, is in Zuid-Europa soms volstrekt onvoldoende. Vraag bij aankomst in een regio advies aan een lokale dierenarts over de specifieke risico’s.
- Zorg voor een noodplan. Zoek vooraf de contactgegevens op van een paar dierenartsen in de gebieden waar je naartoe gaat. Sla ze op in je telefoon. Midden in een crisis met slecht bereik wil je niet hoeven zoeken.
- Ken de symptomen. Leer de basis-alarmbellen voor je huisdier. Extreme sloomheid, niet eten of drinken, en bleek tandvlees zijn universele tekenen dat het goed mis is. Wacht niet af.
- De mooiste plekken zijn het meest afgelegen. Prachtig, maar wees je bewust van de keerzijde. Als je ver van de bewoonde wereld staat, ben je volledig op jezelf aangewezen. Een EHBO-kit voor je dier is geen overbodige luxe.
Bumper werd weer de oude. Twee dagen later blafte hij alweer naar een verdwaalde koe. De rest van de vakantie hebben we hem geen moment uit het oog verloren. En nu? Nu gaan we nog steeds naar de mooiste plekken, maar de contactgegevens van de lokale dierenarts gaan als eerste in het dashboardkastje. Een kleine moeite, die ons ooit een groot verdriet heeft bespaard.